|
Hoe MacLaren van deze stroom een toegankelijke
waterweg maakte
Leon MacLaren werd in 1910 geboren in Glasgow. Hij had een zwakke
gezondheid en verzuimde veel op school, zodat hij later al werkende
zijn studie voor advocaat in de avonduren moest afmaken. Hij speelde
piano vanaf zijn derde levensjaar en als jongeman verdiende hij
wat bij als saxofonist in een jazzband. In navolging van zijn vader,
parlementslid van de Labour Party, was hij een bewonderaar van de
Amerikaanse econoom Henry George. Deze inspireerde eind vorige eeuw
een groot publiek met zijn vrijheidsideaal gebaseerd op ieders natuurlijke
recht op grond. Van zijn boek Progress and Poverty werden
destijds twee miljoen exemplaren verkocht. MacLaren zei: "Toen ik
zestien was verdiepte ik me grondig in dat boek en werd me sterk
bewust van zulke begrippen als waarheid en rechtvaardigheid. Bovendien
het feit dat die begrippen gedefinieerd kunnen worden leek me het
meest waardevolle streven en ik besloot daaraan gehoor te geven
door een school te stichten."
Geïnspireerd door zijn vader, geboeid door dit boek en voortgedreven
door de ellende van de crisisjaren, stichtte hij de School of Economic
Science.
Hij ontwikkelde het lesmateriaal en de school groeide en hield zich
ook tijdens de tweede wereldoorlog staande. Na de oorlog vatte hij
het lesmateriaal samen in een boek: The Nature of Society.
MacLaren: "Het ging eerst best goed; ik legde de economische principes
van Henry George uit in brede zin en wilde dat alles tot een conclusie
brengen in het laatste hoofdstuk. Maar er kwam niets. Er kwam geen
uitkomst, de zaak liep vast. Het was alsof je in een donkere gang
stond, terwijl je wist dat je verder moest, maar er was geen aanwijzing
voor enige richting." Die periode van windstilte duurde enkele jaren.
Het begon bij hem te dagen dat de golfbewegingen in de economie
in feite niet bestudeerd moeten worden aan de hand van economische
wetten, maar aan de hand van universele wetten die het leven van
de mens beïnvloeden.
In 1953 kwam hij in contact met dr. Roles en woonde diens lezingen
bij, waardoor hij in contact kwam met het gedachtegoed van Ouspensky.
Hij vertelt: "Ik was verbaasd dat hun materiaal op dezelfde wijze
als bij onze economiecursussen werd gepresenteerd aan de hand van
diagrammen, zij het eerder met bredere, filosofische betekenis dan
een economische." Hij trok zijn groepen terug in de gebouwen van
de School of Economic Science, ontwikkelde zijn eigen filosofiecursus,
gebaseerd op de leer van Ouspensky en ondersteund door de meditatiemethode
die hij van de Maharishi had ontvangen.
In 1965 waren dr. Roles en enkele anderen door de Maharishi uitgenodigd
naar India te gaan voor een speciaal bezoek om gezamenlijk te mediteren.
Het leek wel iets op Gurdjieffs experimenten bij de Zwarte Zee,
want de cursus hield in dat zij zes weken lang acht uur per dag
mediteerden. Maar het was juist daar in de hitte van meditatieoefening,
dat dr. Roles de 'bron' ontmoette die hij zocht, want een bijzondere
Swami, de Shankaracharya van Jyotirmath, Shantananda Saraswati bracht
hun een bezoek. Toen wist dr. Roles dat dit de man was op wie hij
zolang had gewacht.
Hij schreef in zijn verslag: "Op een avond, toen we allemaal aan
de oever van de Ganges op het zand zaten, kun je je indenken hoe
verbaasd ik was het volgende te horen: "Al onze problemen ontstaan
omdat we onszelf niet herinneren." Het woord 'zelfherinnering' weerklonk
alsof Ouspensky het had gezegd." Vanaf die tijd, tot en met 1993,
nodigde deze leraar in Advaita Vedanta filosofie Roles en MacLaren
uit voor privé-gesprekken. Het bleek al gauw dat de leer van Advaita
Vedanta en de leer van Gurdjieff en Ouspensky nauw met elkaar verband
hielden en elkaar prachtig aanvulden. Sinds die tijd hebben Roles
en MacLaren beiden dan ook het materiaal van deze gesprekken, samen
met het gedachtegoed van de twee anderen, gebruikt en doorgegeven
aan hun studenten. Shantananda Saraswati vatte het ooit eens samen
op deze wijze: "De kennis van het Oosten zal opbloeien in de vruchtbare
velden van het Westen."
Mijn indrukken van Leon MacLaren
Toen ik in 1960 als dertienjarige Leon MacLaren voor het eerst
ontmoette was ik me er zeker niet van bewust dat ik later 22 jaar
van mijn leven met hem zou delen en zijn werk zou helpen voortzetten.
Mijn eerste impressies waren dat ik naast hem op de pianokruk zat
met vierhandige Mozartsonates op de muziekstandaard. Hij was een
groots musicus. Hij wist mij van het eerste moment te fascineren
door zijn subtiele benadering van de muziek, door zijn humor, en
zijn scherpe mensenkennis, zodat hij je altijd doorzag als je iets
niet wilde prijsgeven, om je dan met een knipoogje zelfvertrouwen
te geven. Hij kon bergen verzetten voor zichzelf en ook voor jou.
Hij was een magiër, een zorgzame leermeester en een vriend voor
het leven. Er was geen afstand tussen het kind dat ik toen was en
hem; de zevenendertig jaren tussen ons verdwenen gewoon.
Deze jeugdindruk geeft misschien iets weer van met wat voor een
figuur we hier te maken hebben, want hij is al even moeilijk te
definiëren als de twee vorige. Velen die hem hebben ontmoet in de
laatste dertig jaar van zijn leven - waarin overal ter wereld de
scholen van de School of Economic Science als paddestoelen uit de
grond rezen - zijn voornamelijk geboeid door zijn kennis, en dynamische
kracht, en door de vele dingen die hij tot stand heeft gebracht.
Eén zo'n onderwerp alleen al zou een mensenleven kunnen opeisen.
Zo waren er het wekelijks schrijven van filosofiemateriaal, het
oprichten van kinderscholen, vier grote muzikale composities voor
koor en orkest, studies in Sanskriet, het doorgronden van de principes
van architectuur, kunst en wetenschappen, tot en met vertalingen
van de boeken van Marcilio Ficino en Hermes Trismegistus. Dit alles
als bijproduct van het filosofische gebeuren, waarbij hij elke stap
van zijn groepen begeleidde gedurende werkweken en weekeinden, precies
zoals Gurdjieff en Ouspensky dat voor hem ook al gedaan hadden.
Dit alles als bijproduct van het filosofische gebeuren, waarbij
hij elke stap van zijn groepen begeleidde gedurende werkweken en
weekeinden, precies zoals Gurdjieff en Ouspensky dat voor hem ook
al gedaan hadden. Hij was voortdurend bedacht op arrogantie, en
herinnerde ons er regelmatig aan dat de school die hij wereldwijd
had gesticht nog maar een 'preparatory school' was. Wij woonden
ook op één van de landhuizen van de School of Economic Science,
Waterperry House bij Oxford, maar de druk van groepen was zo groot
dat wij nauwelijks drie dagen op eenzelfde plek verbleven. Bovendien
reisden wij elk jaar de wereld rond en zo leek ons leven wel op
een rondtrekkend circus!
Het is vermeldenswaardig dat hij nooit iemand vroeg iets te doen
wat hijzelf niet eerst gedaan had, zij het een fysieke taak of een
spirituele oefening. Ikzelf had geen voorrechten, eerder het tegendeel,
mijn taken waren vele en van de meest uiteenlopende aard. Hij was
boven alles waarheidlievend en rechtschapen, hetgeen hij als kleine
jongen al had nagestreefd, en verwachtte hetzelfde van iedereen
in zijn omgeving. Hij moest niets hebben van slaafse onderdanigheid,
een fenomeen waar iedere leider mee te maken krijgt, en omdat hij
gewoonlijk met zijn scherpe blik alles doorzag, werd hij vaak genoeg
gevreesd, met alle gevolgen van dien. Degenen echter die wel met
hem durfden te debatteren kregen de volle maat van zijn warme persoonlijkheid,
en gigantische kennis.
Evenals zijn voorgangers probeerde hij van alles om het onderste
uit de kan te halen wat betreft het onderzoek naar de waarheid in
ieder mens. Dat betekende natuurlijk het aanpakken van de problematiek
rond de persoonlijkheid en het loslaten daarvan. Hij ontwikkelde
een uniek proces om de 'chief feature' te ontdekken en paste ook
een methode van 'humouring' toe die het meest lijkt op de moderne
kwantumpsychologie zoals beschreven door Stephan Wolinsky in zijn
boek Doorbreek de Illusie. Daarmee was hij de psychologie
een halve eeuw vooruit. Dus was het onvermijdelijk dat de experimenten
die hij deed met de studenten, en die hij 'steps in the dark' noemde,
soms te hard aankwamen en dat hij de maat van het redelijke wel
eens overschreed, waardoor er mensen geschokt wegliepen. In 1984
liepen sommigen naar de pers en kwam er een reactie van die kant.
Laatste jaren
In 1989 gaf hij de filosofische leiding uit handen aan de jongere
generatie, en begon zich langzamerhand terug te trekken uit het
schoolgebeuren. Maar volgelingen houden van de vorm, en hielden
vast aan hun verering van zijn leiderschap, zodat zij de diepere
betekenis van zijn verstilling nauwelijks begrepen hebben. MacLaren
voldeed eigenlijk niet meer aan de normen van een leider, omdat
hij er al lang afstand van had gedaan en daarmee zijn levensideaal
had vervuld. Hij had het ooit zelf als volgt geformuleerd: "Het
Absolute is alleen geïnteresseerd in de innerlijke intentie. De
uiterlijke vorm kan van alles zijn, dat is niet belangrijk en ook
al is het nog zo volmaakt, als de innerlijke intentie fout is dan
is het volstrekt niet aanvaardbaar."
Het culmineerde in een totale retraite gedurende het laatste jaar
van zijn leven, waar hij alleen nog maar door een klein aantal mensen
werd omgeven, evenals dat bij Ouspensky het geval was geweest. Hij
had er vrede mee zei hij en voegde eraan toe op zijn karakteristieke,
veelbetekenende wijze dat men niet meer bij hem langs wilden komen,
omdat hij niets meer had te geven, en de meeste mensen alleen kwamen
halen.
Hier is het op zijn plaats om even terug te grijpen naar een beschrijving
van Gurdjieff door Margaret Anderson in haar boek The Unknowable
Gurdjieff, in een ontmoeting met hem na de oorlogsjaren, toen
ook hij verlaten was door de stromen volgelingen: "Gurdjieff leek
onveranderd. Hij was iets ouder geworden, iets vermoeider, maar
nog even genereus, en hij was stiller dan in vorige jaren. Maar
er was onderricht in alles wat hij deed of zei, alleen was de vorm
veranderd: hij onderwees nu hoofdzakelijk door middel van zijn aanwezigheid
- door zijn 'wezen', zou hij gezegd hebben."
Een leerling die MacLaren had bezocht kort voor zijn dood geeft
een zeer vergelijkbare beschrijving, en je zou dit kunnen lezen
als de wezenlijke beschrijving van ieder van de drie grote geesten:
"Zijn blik was tijdloos en veelbetekenend. Het openbaarde een nieuwe
manier van onderwijzen zonder woorden. Een onvergetelijke zelfherinnering.
Het gebruik van woorden en het verrichten van handelingen bleken
toen een grove dekmantel te zijn die niet meer nodig was. Het was
alsof zijn ogen mijn eigen waren die naar mezelf keken. De ogen
van een moedig mens. Hij was niet langer mijn leraar, hij was mijzelf."
|